017. Bijbelstudie over het
BIDDEN - HIT’PALEL
llpth
Deel 2: ibq Qeva - het vastgelegde gebed
Wat is bidden? De Joodse wijsgeer Yehuda Halevi heeft eens gezegd: “Het gebed is voor de ziel wat voedsel is voor het lichaam.” Zoals ons lichaam op vaste tijden voedsel nodig heeft, zo ook onze ziel. De Tal’midim [discipelen] van Yeshua vroegen Hem op een zekere dag om hen te leren bidden. Yeshua gaf hen een glasheldere uitleg in een systematische opbouw met duidelijke richtlijnen die ook voor u en mij van toepassing zijn. Hij zei: “Wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want G’d uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven!” (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 6:5-15). Om te beginnen keurt Yeshua het bidden vanuit verkeerde motieven af. In het antwoord van Yeshua op de vraag om hen te leren bidden vinden wij de twee bijbelse grondprincipes voor het gebed terug, die de Hebreeuwse namen hnvvk Kavana en ibq Qeva dragen. In mijn vorige studie gaf ik reeds aan dat Kavana zoveel als “gerichtheid des harten” ofwel “spontaniteit” betekent en een benaming is voor het vrije, persoonlijke gebed, dat niet op schrift gesteld is en nederig, meestal knielend, in de stilte van de binnenkamer bij de Eeuwige wordt gebracht. Qeva daarentegen betekent “het vastgelegde” en is een benaming voor het op schrift gestelde formuliergebed, dat staande wordt uitgesproken in de samenkomst. Ik schreef dat ik later nog heel uitgebreid op deze beide gebedsprincipes in zou gaan, en dat wil ik nu doen.
Zoals
reeds gezegd kent men in de Joodse traditie twee vormen van gebed, namelijk hnvvk Kavana en ibq Qeva, respectievelijk het
gebed van expressie en het gebed van empathie, ofwel het 'vrije gebed' en het
'formuliergebed'. hnvvk Kavana betekent zoveel als: gerichtheid van het hart en
spontaniteit. Vanuit dit begrip gezien is het ideale gebed het gebed waarin de
bidder vrijwillig in eigen woorden zijn hart voor de Eeuwige uitstort, maar dan
wel in de stilte, niet in bijzijn van anderen, onder vier ogen met de Vader.
Het is het vrije gebed, niet op schrift gesteld, dat opwelt uit het hart van de
bidder. Een dergelijk gebed veronderstelt een verlangen bij de bidder zelf om
G’d te zoeken. Het kent geen sleur, want het legt spontaan alles wat de bidder
beweegt en beroert aan de Eeuwige voor. De bekende Joodse theoloog en filosoof
Abraham Joshua Heschel (1907-1972) schreef in zijn boek ‘Man's Quest for G’d’
op bladzijde 28: “Deze vorm van gebed ontstaat wanneer wij de dringende
behoefte voelen om wat ons persoonlijk beweegt en beroert aan G’d voor te
leggen. Hier gaat de bewogenheid en zelfs de stemming en het verlangen om te
bidden vooraf; dan pas volgt het woord. Het is de drang om te bidden die tot
gebed leidt. Het is waar dat het gebed van expressie (het vrije gebed) een
algemeen en universeel verschijnsel is; maar het is onjuist om te
veronderstellen, zoals veel mensen doen, dat gebed voornamelijk geschiedt in de
vorm van expressie. In werkelijkheid is het gebed van empathie (het
formuliergebed) de meest voorkomende vorm. Wij hoeven, als we zo beginnen te
bidden, daarvoor niet in de juiste stemming te zijn. Deze vorm van gebed
ontstaat, doordat wij de woorden van het gebed lezen en voelen, doordat wij met
ons bewustzijn en onze verbeeldingskracht doordringen in de betekenis van de
woorden, door empathie met de ideeën waarvan de woorden zwanger zijn. Hier komt
het woord eerst, het gevoel volgt.” Het vrije gebed lijkt dus op het eerste
gezicht de meest ideale vorm van bidden, omdat de levende betrokkenheid, de
gerichtheid van het hart, er de hoofdrol in speelt. In de Joodse traditie zegt
men daarom dat de Kavana [gerichtheid des harten]
in elke gebedsvorm aanwezig behoort te zijn. Toch zitten er ook schaduwzijden
aan deze spontane gebedsvorm en met name als zij tegen het dringende advies van
Yeshua in, om
dit in de verborgenheid van de binnenkamer te doen, toch in bijzijn van anderen
wordt toegepast. In het eerste deel van deze studie heb ik de nadelige gevolgen
hiervan uitvoerig behandeld.. Deze schaduwzijden van de Kavana hebben er toe geleid
dat toch het principe van de Qeva in de Joodse gebedspraktijk de overhand heeft gekregen,
dit in tegenstelling tot de christelijke gebedspraktijk. In de loop van de tijd
is namelijk door allerlei culturele invloeden in de christelijke traditie de
grootste nadruk komen te liggen op het persoonlijk gebed. Vaak werd en wordt
het vrije gebed beleefd als het echte gebed. Dat is echter vanaf het begin niet
zo geweest. Zowel in het katholicisme alsook in de eerste tijd van de
Reformatie was het gemeenschappelijke gebed evenals in het Jodendom het
eigenlijke gebed. Met name in evangelische en charismatische kringen groeide
echter de mijns inziens verkeerde opvatting dat alleen het in het openbaar luid
uitgesproken vrije, meestal geïmproviseerde gebed door de Heilige Geest
geïnspireerd kon zijn en het vaste formuliergebed wordt minachtend beschouwd
als de ‘dode letter’. Dit is een ernstig misverstand zoals ik de vorige keer
aan de hand van schriftuurlijke argumenten heb aangetoond. Zelfs Calvijn had
ten aanzien van het vrije gebed in de samenkomst van de gemeente duidelijke
aarzelingen en gaf derhalve de voorkeur aan opgelezen gebeden. Het in de
eredienst hardop bidden in zelfgekozen bewoordingen bleef daarom in de
reformatorische kerken eeuwenlang voorbehouden aan de predikant, want hij is de
stem van de gemeenschap en hij noemt in zijn gebeden vaak ook dingen waaraan de
meeste gemeenteleden zelf niet eens gedacht zouden hebben, maar die zij wel
hardop kunnen beamen. Deze toepassing heeft de kerk overgenomen van het
Jodendom, want het gebruik om het vrije gebed van de voorganger te beamen komen
wij reeds in de TeNaCH tegen: “Ez’ra loofde de Eeuwige, de grote G’d, en het gehele volk
antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij
knielden en bogen zich voor de Eeuwige neder met het gelaat ter aarde.” (hymxn N’chem’ya [Nehemia] 8:7). Ook de voorbeden worden sinds mensen
heugen in de synagoge slechts door één persoon uitgesproken en vervolgens door
de hele gemeente beaamt. De rooms-katholieke kerk heeft dit gebruik reeds vanaf
het begin van haar bestaan in haar liturgie overgenomen en zo beaamt de hele
gemeente elke voorbede van de priester met:
“Kyrieleison”, hetgeen betekent: “Heer, ontferm U over ons!” In sommige
kerken worden de voorbeden van de voorganger beaamt met de woorden: “Heer, onze
G’d, wij bidden U, verhoor ons!” Steeds wordt het zelfde principe toegepast:
één persoon spreekt de voorbeden volgens een vast stramien uit en de hele
gemeente beaamt ze. Het evangelische gebruik om in een gebedssamenkomst de
voorbeden door iedereen als vrije gebeden te laten uitspreken en soms ook nog
allemaal tegelijk door elkaar heen, is niet Joods en zeker niet bijbels. Dr.
David Hausdorff schrijft in zijn voorwoord in de orthodoxe Sidur: “Het
gemeenschappelijk gebed, met de spontane individuele uitingen van religieuze
bewogenheid, kan onze Kavana ten zeerste bevorderen. En het is de taak van de Chazan hierin de stuwende
kracht te zijn. Als Ba’al T’fila [meester van het gebed] dient hij te trachten ons mee te
slepen in zijn Kavana, ons op te voeren tot soms ernstige, soms blijde
religieuze ontroering. Wij van onze kant, dienen ons bereidwillig open te
stellen voor wat de T’fila en haar officiële vertolker in ons wil opwekken.”
Maar
ook de lofprijs en aanbidding verloopt in de synagoge volgens het zelfde
principe: de voorganger of beter gezegd de voorzanger, de Chazan, lajent de lofprijs
en roept de gemeente vervolgens op om het met zijn allen te beamen. Een
prachtig voorbeeld hiervoor zien wij in het Qadish-gebed: “Verheerlijkt en geheiligd zij de Naam van de
Hoogverhevene in de wereld die Hij naar Zijn welbehagen heeft geschapen; dat
Hij Zijn Koninkrijk moge vestigen gedurende uw levensdagen en die van het
gehele huis Israël, spoedig en binnen een zeer korte tijd. Zegt hierop:
Amen! (de gemeente zegt Amen!) De Naam van de
Hoogverhevene zij geprezen in alle eeuwigheid! Geloofd, geprezen, geroemd,
verheven, hoog vereerd, verheerlijkt, verhoogd en met eerbied geprezen zij de
Naam van de Allerheiligste, die lofwaardig is, verheven boven alle lof, gezang,
prijslied en smeking, welke ooit in de wereld uitgesproken worden. Zegt
hierop: Amen!” (de gemeente zegt Amen!). De blauwdruk voor deze
prachtige vorm van het gemeentegebed vinden wij in de heilige Schriften: “Geloofd
zij de Eeuwige, de G’d van Israël, van eeuwigheid en tot eeuwigheid, en al
het volk zegge: Amen!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 106:48) - “Geprezen zij de Eeuwige, de G’d
van Israël, van eeuwigheid en tot eeuwigheid. En al het volk zeide: Amen,
en: Loof de Eeuwige.” (a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 16:36). Alle Joodse gebeden zijn op deze bijbelse voorbeelden
gebaseerd. In de Joodse gebedstraditie staat de lofprijzing en dankzegging
centraal. De hoofdvorm die de Joden voor het gebed gekozen hebben is daarom de hkrb B’racha, de zegenspreuk.
Een dergelijk gebed begint altijd met de woorden ,lvih ;lm vnyhla
yy hta ;vrb Baruch Ata, Adonai, Eloheinu,
Melech haOlam [Gezegend zijt gij, Eeuwige,
onze G’d, Koning van het heelal] en sluit af met een zin die wordt ingeleid met
dezelfde woorden. Ook als het gebed een vraaggebed of voorbede is wordt
doorgaans voor de vorm van een lofprijzing gekozen. Voor elke handeling die men
verricht en voor alle soorten voedsel zijn er aparte zegenbeden. Zo doet men in
de Joodse traditie de Eeuwige alleen de lof, aanbidding en heerlijkheid
toekomen. David Hausdorff geeft een prachtige uitleg over de zin van de B’rachot: “We vinden een
groot aantal dingen in het leven vanzelfsprekend. Dat we ’s morgens uitgerust
wakker worden, de ogen kunnen openen, onze spieren kunnen gebruiken, kunnen
lopen, onze kleding naast ons bed vinden, ons ontbijt gereed vinden staan, al
deze dingen, ja, we denken er niet over na en zeker danken we er niet voor. ’t
Is allemaal heel gewoon, vanzelfsprekend, dat dit zo het geval is. We beleven
het niet bewust. Het Jodendom wil dat we al deze dingen bewust beleven, iedere
dag opnieuw en wel steeds weer als een geschenk van G’d. Dit is de bedoeling
van de ochtend-b’rachot, waarin we G’d danken, dat we weer kunnen zien, kunnen
lopen, ons kunnen kleden, dat we uitgerust zijn. Het oude en het geregeld
terugkerende, dat waaraan we gewend zijn, stemmen ons meestal niet tot
nadenken, slechts het nieuwe geeft ons vreugde. Als een kind begint te spreken,
verheugen de ouders zich met ieder geluidje, dat hun baby voortbrengt. Ieder
nieuw woord, dat het kind uitspreekt, is voor hen een bron van blijdschap. Maar
als het kind ouder geworden is en gewoon spreekt, dan is dat vanzelfsprekend,
niemand schenkt er bijzondere aandacht aan, niemand verheugt zich er meer over.
Het Jodendom wil, dat we iedere dag opnieuw de vreugde voelen over al die
dingen, die we zo gewoon vinden, dat we iedere dag opnieuw de bijzondere
geschenken van G’d waarderen. Dat is de bedoeling van de B ‘rachot.”
Zoals Yeshua duidelijk heeft
uitgelegd en ook zelf heeft voorgeleefd, is het vrije, persoonlijke gebed
bedoeld voor een stille plek waar je alleen bent, maar de gebeden die in de
samenkomst van de gemeente worden uitgesproken, zijn op schrift gestelde
gemeenschappelijke gebeden, de zogenaamde formuliergebeden. Deze gebeden heten
zo, omdat ze uit vaste, van tevoren geformuleerde teksten zijn samengesteld. ibq Qeva is immers het
Hebreeuwse woord voor ‘het vastgelegde’. Het hr>i9hnvm> Sh’mone-Esre
[Achttiengebed] en het ,ym>b> vnyba Avinu shebaShamayim [Onze
Vader] zijn daar bekende voorbeelden van. Daarnaast zijn er uiteraard nog veel
andere bekende en inhoudsrijke formuliergebeden. Een formuliergebed is echt
geen minderwaardig gebed voor G’d, onthou dat heel goed! G’d veroordeelt de
vaste formuleringen niet, want anders zou Yeshua ons zeker niet het ‘Onze Vader’ geleerd hebben. Laat u dat
dus ook echt niet wijswaken! Waarom zou men derhalve bij het zeggen van een
formuliergebed het gevoel hebben om niet zelf te bidden, maar alleen na te
praten wat anderen voor ons hebben opgeschreven? Ik wil daarom nogmaals
herhalen dat men in de joodse traditie zegt dat de Kavana [gerichtheid
des harten] in elke gebedsvorm aanwezig
behoort te zijn, dus ook in het formuliergebed. Het hangt dus helemaal af van
je eigen hartsgesteldheid. Als wij de liturgische gebeden als onze eigen
gebeden ervaren, als wij ons in de op schrift gestelde en in de liturgie
uitgesproken gebeden herkennen, in blijdschap en aanvechting, in nood en
vertrouwen, dan is er niets mis met deze gebeden, en velen kunnen er kracht en
troost uit putten. “Het is goed dat er woorden zijn die zijn geheiligd door
eeuwen van gebed, door de eerlijkheid en liefde van vele generaties”, schrijft
Heschel in ‘Man's Quest for G’d’ op bladzijde 33. Ontelbare gelovigen hebben
zich, sinds deze gebeden voor het eerst werden geformuleerd, met deze woorden
tot de Eeuwige gericht en daarmee een levende relatie met hun hemelse Vader
onderhouden. Velen gingen met deze gebeden de gaskamers in en hebben hieruit
kracht geput. De woorden van de formuliergebeden mogen wij dus beslist niet
afdoen als dode letters, want ze zijn niet zomaar woorden, maar woorden die
gegroeid zijn uit de gebedservaring van vele generaties en wij mogen ook zeker
niet de fout maken om zomaar te veronderstellen dat deze vorm van bidden niet
geïnspireerd zou zijn door Ruach haQodesh [de Heilige Geest]. Het is dus verkeerd om slechts het
vrije gebed te beschouwen als het ‘echte’ gebed, want ook het vastgelegde gebed
is van grote waarde voor ons geloofsleven. Waarin vindt nu dit tweede
gebedsprincipe zijn oorsprong? In tenminste twee dingen. Ten eerste in het feit
dat het gebed een Mitz’va, een gebod van G’d is. De Eeuwige Zelf verlangt van ons
dat we bidden. “Maar we moeten dan ook de tijd en de rust nemen, die de T’fila [het gebed] vraagt.
Ze mag niet een plicht, een last zijn, die we dagelijks, zo kort mogelijk,
verrichten. Ze moet voor ons zijn een op zichzelf staand, waardevol gebeuren,
iedere dag opnieuw,” schrijft Hausdorff. Het gebed brengt dus tot
gehoorzaamheid aan de wil van G’d. Daarom wordt in de Joodse geloofsbeleving het
belang van het gebed niet in de eerste plaats gezocht in de behoefte van de
mens om G’d te ontmoeten. Integendeel, bidden is volgens de joodse traditie een
Mitz’va, een
gebod. De wortel van het gebed is dus niet de behoefte van de mens, maar het
verlangen van G’d. Abraham Heschel schreef in 1954 hierover het volgende: “Er
is iets dat veel groter is dan mijn verlangen om te bidden en dat is G’ds
verlangen dat ik bid. Er is iets dat veel groter is dan mijn wil om te geloven
en dat is G’ds wil dat ik geloof. Hoe onbelangrijk is mijn gebed temidden der
kosmische processen: Hoe lachwekkend is het om te bidden, tenzij het G’ds wil
is dat ik bid” (Man's Quest for G’d, pagina 97). G’ds verlangen dat de mens
bidt, heeft Hij kenbaar gemaakt in de Tora en daarom is bidden een Mitz’va: Het is een gebod om elke dag te bidden, want in tvm> Sh’mot [Exodus] 23:25 is
er gezegd “Gij zult de Eeuwige, uw G’d, dienen” (NBG-vertaling) ofwel “De
Eeuwige, uw G’d, moet u vereren” (Willibrord-vertaling). Uit de traditie
weten we dat met dit dienen ofwel vereren het gebed wordt bedoeld. Niet de
behoefte van de mens om te bidden is het uitgangspunt van het gebed, maar juist
de opdracht van G’d aan de mens daartoe. In een oud joods geschrift wordt deze
opdracht als volgt gefundeerd: “Er werd geleerd: 'de Eeuwige, uw G’d, lief
te hebben en Hem te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel' (,yrbd D’varim [Deuteronomium]
11:13) - dat heeft betrekking op het gebed. Maar zou het niet op de offerdienst
kunnen slaan? Nee. De Heilige Schrift zegt immers: 'Met uw ganse hart.' Welke
eredienst is het, die zich in het hart voltrekt? Daarop moet het antwoord wel
luiden: het gebed!” (Talmud-tractaat tynit Ta'anit 2a). Ook Maimonides
schreef: “De wijzen zeiden: wat is 'dienen met het hart'? Dat is het gebed.” (Hilchot T’fila 1:1). Het
gebed is de 'dienst in het hart', het is een Mitz’va, een gebod. G’d verlangt naar contact met mensen. Het
gebed als antwoord op het spreken van G’d tot de mens kunnen we typeren met de
uitdrukking 'eredienst van het hart'. Het gebed is een dialoog, een
tweegesprek, tussen G’d en mens. Al sprekende wordt er iets in de bidder
losgemaakt, wordt hij zich de dingen bewust. De teksten die hij gebruikt doen
iets met hem. Hij wordt er door in beweging gezet. Het begrip ibq Qeva neemt dus zijn
uitgangspunt in 'het verlangen van G’d' en niet in de 'behoefte van de mens'.
Met het laatste, de behoefte van de mens, hebben we de tweede reden voor dit
gebedsprincipe opgespoord. Bij de mens bestaat lang niet altijd de behoefte
spontaan tot G’d te bidden. Integendeel, velen hebben moeite met het bidden.
Dikwijls weet de gelovige ook niet wat hij moet bidden. Bidden… hoe doe je dat?
Welnu, om aan deze moeite tegemoet te komen is in de synagoge het
gemeentegebed, als een formuliergebed, ontstaan. Met gebeden in vaste
bewoordingen leerde de gemeente hoe G’d aangeroepen wil worden. Een gebed met
een vaste tekst kan ons soms heel erg goed helpen om met G’d in gesprek te
zijn. Anderzijds willen de woorden van de geformuleerde gebeden juist ook behoefte
en spontaniteit wekken, want het is ook van belang om in je stille tijd steeds
opnieuw ook weer te proberen een vrij gebed uit te spreken. Een vrij gebed
geeft immers meer mogelijkheden om concrete zaken te noemen en bovendien
sluiten vastgelegde gebeden en vrije gebeden elkaar niet uit, maar vullen
elkaar juist aan. Alleen moet je wel weten waar, wanneer en hoe je de ene of de
andere vorm van gebed toepast, want “Adonai
is geen G’d van wanorde, maar van vrede” (1 Korinthiërs 14:33). Vrije gebeden horen dus niet in de
samenkomst thuis, maar in de verborgenheid van de binnenkamer. Toch hebben
velen de behoefte om samen met anderen te bidden, maar dan ook echt
gezamenlijk, geen reeks afzonderlijke gebeden, maar vaste gebeden volgens een
vaste rangschikking.
Uit
deze praktijk is de naam voor het joodse gebedenboek ontstaan, namelijk: rvdyc Sidur [rangschikking]. Er
ontstond, netjes gerangschikt, een keten van gebeden. Later zijn er meer
uitgebreide vaste teksten ontstaan, zoals we die nu in de joodse gebedenboeken
aantreffen. In de loop van de tijd zijn er gebedenboeken ontstaan met vaste
gebeden voor werkdagen, sabbatten en feesten. Het eerste gebedenboek komen wij
reeds in de TeNaCH [het z.g. Oude Testament] tegen, namelijk het boek der
Psalmen, in het Hebreeuws ,ylht Tehilim genaamd. Daarom nemen de psalmen ook in de huidige
gebedenboeken een grote plaats in. Niet minder dan zesentwintig van de
honderdvijftig psalmen zijn compleet in de gebedsteksten van de gebedenboeken
opgenomen. Zo maken de psalmen 113-118 op de drie grote pelgrimsfeesten (Pesach, Shavuot en Sukot) deel uit van de
liturgie. Daarnaast worden talrijke losse verzen uit de psalmen in de gebeden
geciteerd. Sommige vrome joden houden het gebruik in ere om binnen een bepaalde
periode, bijv. een week of een maand, alle 150 psalmen te bidden.
De
formuliergebeden in de samenkomst van de gemeente zijn gemeenschappelijke
gebeden en geen persoonlijke gebeden. Daarom staat een gebed in de Joodse
traditie ook meestal in de meervoudsvorm. Hoewel bidden een persoonlijke zaak
is staan de Joodse formuliergebeden doorgaans in de eerste persoon meervoud.
Telkens zegt de biddende gelovige 'wij' en 'ons'. De Joodse gelovige isoleert
zich, hoe persoonlijk zijn gebeden ook mogen zijn, nooit van de
gemeenschap. Dit principe komt bijzonder
duidelijk naar voren in het ]vzmh tkrb Birkat haMazon [tafelgebed], waarin niet de maaltijd, maar de gever van
het voedsel gezegend wordt: “Gezegend zijt gij, Eeuwige, onze
G’d, Koning van het heelal, die de hele wereld door Uw goedheid, welwillendheid
en ontfermende liefde van voedsel voorziet. U geeft aan ieder wezen voedsel,
want onbeperkt is Uw liefde! Door Uw grote goedheid hebben wij nooit gebrek
geleden; moge er voor ons nooit en te nimmer gebrek aan voedsel zijn, omwille
van Uw grote Naam! Gij zijt het immers die allen voedsel en levensonderhoud
verschaft, die allen goed doet en voor al Uw schepselen die U geschapen hebt,
de voeding verzorgt! Gezegend zijt Gij,
Eeuwige, die allen van voedsel voorziet!”
In dit tafelgebed geven wij lof en dank aan de Eeuwige, dat Hij ons en de hele
wereld van voedsel voorziet, en ook de bede dat Hij dat zal blijven doen. Dit
gebed is lofzegging, bede en dankzegging tegelijk, maar het is ook een opdracht
voor ons. De Eeuwige geeft aan ieder wezen voedsel, want onbeperkt is Zijn
liefde, maar wij moeten ervoor zorgen dat dit ook echt waar is. Het is onze
opdracht om zichtbaar te maken, dat G’d inderdaad voor de hele wereld voedsel
bereidt. Wie dus aan tafel bidt: “Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning van het heelal, die
de hele wereld door Uw goedheid, welwillendheid en ontfermende liefde van
voedsel voorziet”, dankt daarmee niet slechts
voor zijn eigen deel van het dagelijks brood, maar hoort tegelijk de opdracht
om het brood te delen met anderen. Datzelfde principe komen wij tegen in de
vierde bede van het ‘Onze Vader’. Als ik bid: “Geef ons heden ons dagelijks
brood”, dan vraag ik dit niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn
medemens, want Yeshua leerde mij namelijk niet om voor mijn
dagelijks brood te bidden, maar voor ons dagelijks brood.
En als ik dan heb ontvangen waarvoor ik gebeden heb, maar mijn naaste heeft
geen brood, dan ben ik verplicht om het brood dat ik ontvangen heb, met hem te
delen, want ik bad immers ook namens hem om ons dagelijks
brood. Snapt u wat ik bedoel? Er bestaat dus in de bijbelse gebedspraktijk een
onlosmakelijk verband tussen gebed en gebod. Wat in het gebed van G’d gevraagd
wordt, is tegelijk een opdracht aan de mens. Dat wordt ook duidelijk naar voren
gebracht in de laatste twee verzen van vhyttm
Matityahu [Mattheüs] hoofdstuk 6, die wij bij
het begin van deze studie gelezen hebben, waarin Yeshua ons leerde om te bidden. Nadat
Hij het ‘Onze Vader’ had uitgesproken vond Yeshua het uitermate belangrijk om in de verzen 14 en 15 de
vijfde bede: “En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze
schuldenaren” nog extra aan te scherpen door de toevoeging: “Want indien
gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet
vergeven!” In Marcus 11:25 zegt Yeshua hetzelfde: “En wanneer gij staat te bidden, vergeeft
wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw
overtredingen vergeve. Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die
in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven!” Het is dus duidelijk een
wisselwerking die van grote invloed is op de gebedsverhoring, waarvan velen
zich helaas niet of slechts ontoereikend bewust zijn. De achtste bede van het
Achttiengebed, de bede om genezing, begint met de woorden: “Genees ons,
Eeuwige, dan zijn wij genezen.” Driemaal per dag worden deze woorden gezegd
en niet alleen door de zieken. Wij vragen in dit collectieve gebed niet gericht
om genezing voor specifieke personen die ziek zijn, maar wij zeggen collectief:
“Genees ons”, ook als we zelf niet ziek zijn. Door het uitspreken van
dit gebed ontstaat een verbinding tussen de gezonde bidders en degenen die ziek
zijn. Daarom verbindt in de joodse traditie het gebed de enkeling met de
gemeenschap en verbindt het gebed de gemeenschap met de enkeling. Kenmerkend is
daarom ook de wijvorm die gebruikt wordt door Yeshua, die ons geleerd heeft te bidden: “Onze Vader”, en niet
“Mijn Vader”. Door op deze wijze met en voor elkaar te bidden dienen wij niet
alleen de Eeuwige, maar ook elkaar. “De Jood staat niet alleen voor G’d; hij
staat voor Hem als lid van de gemeenschap. Onze relatie tot Hem is niet als een
Ik tot een Gij, maar als een Wij tot een Gij. We bidden nooit als individuen
die los staan van de rest van de wereld. Maar toch mogen we nooit vergeten, dat
gebed in de eerste plaats een gebeurtenis is in de ziel van de enkeling, iets
dat uit hem uitstraalt en niet alleen iets waaraan hij deelneemt. Ja, de waarde
van het gemeenschapsgebed hangt af van de diepte van het individuele gebed, van
het individuele gebed van hen die samen bidden. We leren in de Talmud (]y>vdyq Qidushin 40b), dat het lot
van de gehele mensheid afhangt van het gedrag van één enkele individu, dus van
jou. Dit geldt zeker ook voor wat er gebeurt in onze bedehuizen,” schrijft
Heschel in ‘Man's Quest for G’d’ op de bladzijdes 44 tot 46. Liturgisch bidden
is altijd meebidden met de gelovigen uit alle eeuwen. Bidden doe je samen met
alle medegelovigen. Betrokken zijn bij de gebeden in de liturgie is derhalve
niet alleen de beoefening van de gemeenschap met G’d maar ook de beoefening van de gemeenschap met je broeders
en zusters. Opnieuw wil ik David Hausdorff citeren: “Is het gebed op zichzelf
een zeer persoonlijke religieuze uiting, het mag niet egoïstisch of
egocentrisch zijn. We zagen reeds het belang van het gemeenschappelijk gebed.
Het zich onderdeel weten van een gelijkgerichte, in T’fila verdiepte
gemeenschap vestigt reeds onze aandacht op de andere delen van die gemeenschap.
Die gemeenschap, bij voorkeur te samen in het Beit
haK’neset, in sjoel, weet, dat ze de
plaatselijke Joodse gemeenschap, de Q’hila is en dat die weer onderdeel is van de grote Joodse
gemeenschap, het Joodse volk, de K’lal
Yis’ra’el, die op haar beurt weer een
onderdeel van de mensheid is. Zo voert de T’fila ons naar de zorgen en noden van onze medemens, vanaf onze
naaste in onze woonplaats naar onze medejoden en medemensen. De T’fila verruimt onze blik.
Voert ze ons plaatselijk van ons eigen egoïstisch ‘ik’ naar de gemeenschappen,
waarvan we onderdeel zijn: naar Q’hila, naar het Joodse volk, naar de mensheid. Ook tijdelijk,
historisch, voert ze ons van het vluchtige nu, enerzijds naar de oudste tijden,
naar de schepping der wereld en het ontstaan van het volk G’ds en anderzijds
naar de toekomst, naar het einde der tijden, naar het einddoel van de wereld,
naar de tijd van de wereldvrede, overal heersende voorspoed en algemene
G’dserkenning. Zo vragen we ook steeds om vrede aan het slot van de ‘Sh’mone-Esrei’ en van het benschen [zegenen]: “Die
vrede sticht in Zijn hogere sferen moge ook vrede brengen voor ons en voor heel
Israël!”
Nooit
mag een formuliergebed (Qeva) echter zonder gerichtheid van het hart (Kavana) gebruikt worden.
Het gevaar dreigt namelijk altijd dat het oplezen van op schrift gestelde
gebeden of het uitspreken van uit het hoofd geleerde standaardgebeden een sleur
wordt en dat men het doet zonder erbij na te denken. In de Talmud Yerushalmi werd er
reeds voor gewaarschuwd dat het gebed niet gezegd mag worden alsof men een boek
leest (tvkrb B’rachot 4,3; 8a).
Waarachtig gebed vereist hnvvk Kavana [gerichtheid des harten]. In de Talmud Bav’li lezen wij: “Hij
die bidt, moet zijn hart richten.” (tvkrb B’rachot 3,4). Waarop moet hij zijn hart richten? Onze meesters
leerden: “Hij die bidt, moet zijn hart richten op de hemel.” (tvkrb B’rachot 31a) Heschel schrijft
in zijn werk ‘G’d in Search of Man’ op bladzijde 315: “Hier staat niet dat men
zijn hart moet richten op de tekst of op de inhoud van het gebed. Kavana is meer dan aandacht
schenken aan de tekst van de liturgie. Kavana is andacht voor G’d!” Horowitz gaat nog een stap verder.
Hij schrijft: “Gebed zonder Kavana is als een lichaam zonder ziel!” (Amud haT’fila, Inyan Chanuka 249;
geciteerd in Mayanot, T’fila, bladzijde 306). Een jiddische anekdote laat ons de
nutteloosheid van de Qeva zien als er geen Kavana bij aanwezig is: “Twee Yeshiva-studenten zijn met elkaar aan het discussiëren over de
vraag of er een G’d bestaat of niet. Na een lange en heftige discussie komen
zij beiden tot de conclusie dat er geen G’d bestaat. Een van hen, die door al
het praten een droge keel gekregen heeft en schor geworden is, neemt een glas
water in de hand en begint de B’racha over het water op te zeggen, want Joden mogen immers niets
eten of drinken zonder een toepasselijke zegenbede uit te spreken, maar de
tweede student valt hem daarbij in de rede en zegt: “Wat is dat nou? Waarom die
Broche? Wat
bedoel je met ‘Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d’? Er bestaat toch geen G’d,
dan hoef je ook geen zegen uit te spreken!” Krijgt hij als antwoord: “Of er een
G’d bestaat of niet – hoe kan een Jood water drinken zonder de B’racha?” Het is maar een
mop, maar u begrijpt wel hoe vaak traditionele gebeden puur mechanisch worden
opgezegd. Maar al te gemakkelijk vervallen we in een gedachteloos uitspreken
van de woorden, maar al te gemakkelijk laten we ons afleiden door onze
omgeving. Kavana
is derhalve een onmisbare voorwaarde voor een echt gebed. Daarom moeten wij ons
er steeds van bewust zijn dat ook de formuliergebeden uit het hart moeten
komen, want bidden is niet alleen de woorden van het gebed uitspreken, bidden
is praten met onze hemelse Vader!
Samenvattend
kunnen wij concluderen, dat wij onze gebeden vaak niet verhoord worden omdat
wij verkeerd bidden. Laten wij dus bij ons zelf te rade gaan. Ook dat is
bidden, want volgens Rav Kook is de wederkerende vorm van het Hebreeuwse woord
dat wij met ‘bidden’ vertalen, llpthl
l’hitpalel, een wederkerende vervoeging van de
stam van het werkwoord waarvan de letterlijke betekenis ‘onderzoeken’ of
‘beoordelen’ is. De wederkerende vorm betekent dat de handeling, die in het
werkwoord wordt uitgedrukt, terugslaat op het subject, dat is de persoon in
kwestie. Daarom betekent een letterlijke vertaling van llpthl l’hitpalel dus eigenlijk
‘kritisch naar jezelf kijken’. Deze diepere betekenis van het Hebreeuwse woord
voor ‘bidden’ verschaft ons een buitengewoon inzicht in de wijze waarop in het
Jodendom tegen het gebed wordt aangekeken. Laten wij derhalve voordat wij in
gesprek met onze hemelse Vader gaan dus eerst kritisch naar onszelf kijken om
daarmee ook beide betekenissen van het woord ‘bidden’ toe te passen. Een
waarachtig gebed vraagt dus om een ernstig zelfonderzoek. Voldoen wij aan alle
voorwaarden? Bidden wij naar Zijn wil? (1 Joh 5:14). Bewaren wij Zijn geboden?
(1 Joh 3:22). Wenden wij ons oor af van het horen der Tora? (Spr 28:9). Bidden
wij in Zijn naam? En dan heb ik het niet over de Griekse variant Jezus, maar
over Zijn oorspronkelijke Hebreeuwse naam Yeshua. Bidden wij echt in Zijn Naam? (Joh 16:23-27). Bidden wij
mechanisch of bidden wij uit het hart? (Mt 6:5). Bidden wij in een laconieke of
in een nederige houding? (Mt 26:39). Bidden wij met wrok of zijn wij
vergevingsgezind? (Mt 6:14-15). Bidden wij stilletjes in het verborgene of
geven wij de voorkeur aan een bidstond? (Mt 6:7). Bidden wij in een bestaande
menselijke taal of in tongen? Als dat laatste het geval is, wil ik u mijn
bijbelstudiereeks over het spreken in tongen van harte aanbevelen. Zijn onze
gebeden kort maar krachtig of gebruiken wij bij het bidden een omhaal van
woorden? (Mt 6:7). Er kunnen nog talrijke vragen aan dit lijstje toegevoegd
worden, maar ik denk dat de Eeuwige ons hiermee voorlopig voldoende huiswerk
heeft gegeven om te beseffen dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden
zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders! (Joh
4:23). Ik wil deze bijbelstudie over het bidden eindigen met een dringend
gebedsverzoek: “Bidt Jeruzalem vrede toe: mogen wie u liefhebben, rust
genieten; vrede zij binnen uw muur, rust in uw burchten. Om mijn broeders en
mijn vrienden wil ik zeggen: vrede zij in u!” (,ylht
Tehilim
[Psalmen] 122:6-8).
Werner Stauder